Korte geschiedenis van de abdij te Lorsch


Recent werden, tussen de 417 wereldwijd verspreide objecten die onder speciale bescherming van de Verenigde Naties staan, de Lorsche „Poort“ en de „Koningshallen“ als één van de meest bekende gebouwen van Europa gekenmerkt.

Meer dan duizend jaar geleden was het een deel van een grote architectorische groep van functioneel gekenmerkte componenten zoals daar zijn de poort, de weg naar de kerk, omringd door bedekte muren, en dan de kerk zelf met haar begraffeniskapel en de kruisgang die met de kerk verbonden is. Van hier tot aan de begraffeniskapel was het volledige complex 170 meter lang - een enorm complex die de rijkdom en de sterkte van Lorsch aantoonde. Maar niemand heeft een idee van hoe bescheiden alles begonnen is in de vroege jaren 60 in de achtste eeuw, wanneer Graaf Cancor en zijn moeder Williswinda een klein klooster stichtten voor een handvol monniken, een paar honderd meter hier vandaan.

 



Eerst was het klooster een privaat bezit van een nobele familie die tot een van de meest invloedrijkste clans van de franse aristocratie in die tijd behoorde - met sterke sociale banden in gans Frankrijk. Zo genoot ons klooster de goodwill van Chrodegang, een verwant van de Cancor, aartsbisschop van Metz en een van de grondleggers van de heersende karolingische dynastie en die ook gedeeltelijk verantwoordelijk was voor de positieve relaties tussen de nieuwe koning en de paus van Rome. Chrodegang zond de eerste monniken naar Lorsch, hij gaf romeinse relieken, relieken van St. Nazarius en hij hield officieel de positie van abt in Lorsch alhoewel we weten dat hij hier niet veel aanwezig was. Het was zijn boer Gundeland die in 765 het abdijschap overnam.

Onder zijn bestuur groeide de monnikengemeenschap vlug en daardoor moest Gundeland het klooster verplaatsen naar de huidige plaats. Het was Gundeland die erin slaagde de bestaande band tussen de stichtersfamilie en de heersende monarchie van de koning in 772 te vertroebelen. Via een legale weg kwam Lorsch een koninklijk klooster, bezit van de koning, die de verantwoordelijkheid van de kloosterlijke rijkdommen overnam, maar ook het recht kreeg bepaalde diensten en bijdragen te vragen. Uit het register van zulke diensten van een van de meest belangrijkste franse kloosters weten we dat Lorsch gerangschikt staat tussen deze die jaarrlijks een gift dienst moesten bidden voor de moesten geven (een soort van belasting), die moesten bidden voor de koning en zijn familie en die een militaire. Jaarlijkse schenkingen van de kloosters waren een belangrijke inkomst voor de koning, omdat veel kloosters enorme economische complexen waren en dikwijls efficienter waren dan de koninklijke gebieden.

 



Lorsch, als voorbeeld, ontving haar natuurlijke inkomsten van Nederland en van het zuiden van Bodenzee, van duizend verspreide en weinig verbonden domeinen die zo een ingewikkeld organisme vormden en die een gedetailleerde en goed gestructureerde administratie vereisten. Al deze gebieden werden als geschenk aan het klooster gegeven, geschenken verbonden aan de hoop, dat de monniken voor de schenkers zaligheid zouden bidden. Elk geschenk werd geregistreerd in een speciale collectie documenten welke een belangrijke bron is voor de geografische ontwikkeling van de streek. Op een kloosterdomein vinden we normaal gezien een variéteit aan verschillende sociale groepen. Normaal gezien was het de landbouwer en zijn gezin die voor het behoud van de kloosterlijke economische welstand moest zorgen. Wel te verstaan, hij was niet vrij en zo vergelijkbaar met de slaven uit de oudheid -met het enige maar belangrijke verschil dat een slaaf in de middeleeuwen niet meer was al seen ding of een object en de slaaf nu als een menseleijk iemand werd aanschouwd met beperkte legale status.

Noch een geschreven bron, noch een inscriptie geven ons informatie over het nut van dit gebouw. Het enige dat we kunnen zeggen is, dat het niet de toegangspoort naar het klooster is; en we kunnen door stylistische redenen zeggen dat dit gebouw jonger moet zijn dan verschillende geleerden beweren - het is bijna zeker dat het niet gebouwd werd in het tijdperk van Charlemagne, maar ongeveer honderd jaar later onder zijn kleinkind Ludwig de Duitse die in Lorsch in 876 gestorven en begraven werd. Het is een romantische legende dat Charlemagne dit gebouw gezien had wanneer hij de wijding van de nieuwe kloosterkerk kwam vieren wanneer hij terugkwam van zijn succesvolle militaire campagne in Italie in 774. Er bestaan verschillende mogelijke functies van dit gbouw. Daarover hebben reeds vele geleerden hun hersenen gebroken; sommige denken dat het een vroegmiddeleeuwse triomfboog was, geïnspireerd door het romeins model; andere geloven dat het een oude klooster-bibliotheek of een ontvangsthal voor de koning moest geweest zijn.

Geen enkele van deze voorgestelde oplossingen is overtuigend en bevredigend. De functie van het gebouw blijft mysterieus en zo is het moeilijke er een naam aan te geven. De wonderlijke decoratie, gecombineerd met verschillende culturele invoeden zoals Romeinde, Byzantijnse en Germaanse elementen, geven ons een idee van het eclectisch karakter van de karolingische architectuur en kunst.

De bovenverdieping van de Poorthallen


Omdat we de functie van het gebouw in zijn geheel niet weten kunnen we dus niets zeggen over het nut van deze kamer. We kunnen dan ook niet de mogelijkheid uitsluiten dat het een kapel geweest is.

Vroeger had het gebouw een veel lager dak. Het was in de Gothische tijd, op het einde van de 14de eeuw, dat het golvend dak gemaakt werd zoals het er nu uitziet. Tijdens de restauratiewerken werd ondekt dat er ten minste vijf verschillende lagen verf kunnen onderscheiden. Restanten van de eerste laag kunnen we hier zien - een groep letters die geschilderd werden kort na de constructie en de pleistering. Het is niet mogelijk de vreemde inscriptie te verklaren. Volgens de theorie van een geleerde zou het een deel van een vrome zin zijn, die bedoelt was de laatste laag van de pleister te bedekken. Naar het schrijftype te zien is het mogelijk de inscriptie te dateren tussen 830 en 880. De tweede laag is ook karolingisch. Het is een architectorische decoratie bestaande uit een soort van ballustrade met gekleurde kolommen erop. Deze kolommen met ionische tekens werden verdeeld over een wittte ruimte waar geen verf gevonden werd. Deze kolommen herinneren aan een oude klassieke muurschilderij maar ook aan de decoratie van de fassade van de „Poort“.

Enkele eeuwen na deze schilderijen uitgevoerd werden, werd een nieuwe, romeinse laag erovergeschilderd. Restanten van de nieuwe laag werden hier gevonden, en in onze opinie is dit een figuur met een hoofd met een ronde nimbus en een stof met veel plooien en vouwen. Jammer genoeg kunnen we niet meer details onderscheiden. De vierde laag is van laat gotische afkomst. We kunnen een engelenkoor aan beide zijden zien - engelen, die de glorie van Maria zingen. Heel waarschijnlijk heeft de westelijke kant van de kamer ooit de verschillende stappen van het leven van Maria getoond. Ongeveer 300 jaar geleden, op het einde van de 17de eeuw, werd een nieuwe laag aangebracht. Van het einde van de 17de eeuw tot de jaren 30 van onze eeuw bestond de boven-verdieping niet. De „Poort“ of de „ Koningshallen“ bestond uit één enkele kamer.

De drie oostelijke arkbogen werden gesloten met houten poorten, de westelijke met muren. In de voorkant in het midden was een altaar geplaatst met een hoog gedeelte dat verbonden was met de muur in deze zone. In de dertigerjaren werd het barokgedeelte vernield om de originele architectuur terug op te bouwen. In dezelflde tijd werden de karolingische schilderijen voor de eerste keer gerestaureerd. Zolang betreffende de levensstandaard van een vroegmiddel-eeuwse staat kunnen we zeggen dat het ongeveer hetzelfde was als een landbouwer die op een stuk grond van het klooster werkte. Geplaatst was de koninklijke leenman die dikwijls verschillende voordelen had die aan hem gegeven waren omdat de koning de kloosters de opdracht gaf het zo te doen. De koninklijke leenmannen waren dikwijrs ook de soldaten van de koning en zo zorgde het samenspel tussen de klooster-lijke en koninklijke interesses voor de politieke en economische veiligheid van het koninkrijk. Zonder zijn leger van leenmannen, die op de kloosterdomeinen leefden, zou het Franse Rijk niet bestaan hebben.

 


 


Natuurlijk ondersteunde de economische basis de culturele activiteiten van een klooster. We kunnen zeggen dat van de eerste lagen van de kloosterlijke onwikkeling in de late Oudheid tot aan de Middeleeuwen veel veranderd is. In het beginnend kloosterleven gold een stricte verwerping van elke klasikale cultuur met zijn heidense achtergrond. Dit gedrag duurde zolang er nog een heidense omgeving bestond. Alhoewel, in de vroege middeleeuwen bestond deze klasikale omgeving niet meer en de kloosters namen werkeljik zoiets als „het monopolie van de cultur“ over; ze werden de enige centrums van de ontwikkeling. Natuurlijk was de ontwikkeling in die tijd niet uitsluitend bemiddelend voor zichzelf; ontwikkeling was de enige manier om een betere verstaanbaarheid te bekomen van de Bijbel en de Kerkvaders. Dat is de reden waarom de kloosters bijna alles begonnen te verzamelen die nuttig was voor hun eigen doel. In het karolingische tijdperk reikte deze trend haar grootste spectrum; het bevatte heidense poezie alsook vroege wetenschappelijke teksboeken, en we kunnen aannemen dat zonder de kloosterlijke verzamelwoede veel van de klaggieke auteurs vandaag onbekend gebleven zouden zijn. Het Europese intellect zou door een totaal andere ontwikkeling gegaan zijn zonder de culturele activiteiten van de kloosters, gaande over de Oudheid en de Moderne Wereld.

Het is fascinerend te zien hoe de rechtvaardiging werd gererealiseerd om de klassieke kennis te behouden. Tussen de wetenschap van heidense oorsprong die bestaand bleven, vinden we de theorie van de geneeskunde en de pharmacie, het recept in de oude literatuur over drugs en genezing. Een van de eerste voorwaardse stappen in de richting van de geneeskunde als een academische discipline in Europa moet genomen zijn in Frankrijk in de laatste jaren van de 8ste eeuw. Het enige manuscript dat deze idee beschreef is in Lorsch geschreven. Bekend als het „Lorsch Pharmacopoeia“ is dit manuscript de oudste en kostbaarste getuigenis van de medische praktijk nog voor de meidische ontwikkeling geïnstitutionaliseerd was in Salerno tijdens der 12de eeuw. Het „Lorsche Pharmacopoeia“ is ook een van de eerste boeken die in Lorsch geschreven zijn. Haar schijfwijze toont de klaar en duidelijk gekende karakteristieken van een zekere stijl die gebruikt werd in het klooster op het einde van de 8ste tot in het begin van de 9de eeuw.

Dezelfelde stylistische kenmerken en hun latere aanpassingen moeten gevonden worden in een groot aantal manuscripten die bewaard zijn gebleven in de bibliotheek van het klooster gedurende de eeuwen. De resultaten van verschillende geleerden in gedachte nemend kunnen we zeggen dat, bij de analyse van de bibliotheek van Lorsch, het meerendeel van de boeken bewaard gebleven zijn. De meeste zijn gevonden in de bibliotheek van het Vaticaan, de andere zijn verdeeld in Europa en Amerika. De geschiedenis van de bibliotheek in Lorsch spiegelt zich aan de geschiedenis van het klooster. Haar climax werd in de 9de eeuw bereikt, hierna verdween haar belang zeer langzaam tot haar diepste depressie in de 13de eeuw bereikt werd, doordat het klooster haar deuren sloot door de Reformatie.Tot het begin van de 19de eeuw werden zelfs de hoofdgebouwen afgebroken omdat de mense de stenen nodig hadden om hun eigen huis te bouwen. Door geluk hebben de oude grondstructuren en de karolingische „Poort“ of „Koningshallen“ de tijdstest overleefd-de ruïnes van de grondstructuur omdat er tabak op geteelt werd, de „Poort“ of „Koningshallen“ omdat het ondertussen een kapel geworden was. Beide namen, „Poort“ of „Koningshallen“ veroorzaken verkeerde interpretaties omdat de functie van dit architectorisch juweeltje niet gekend is.

In de Kerkrestanten


In karolongische tijd was er op deze plaats een klein atrium. Ne 1090 wanneer de kerk gerestaureerd moest worden na een verschrikkelijke brand, besliste de abt de kerk te verbreden zodat ze een basiliek werd. Momenteel is de ruïne een winkel die de verschillende stenen uit de verschillende tijden herbergt; dikwijls weten we niet waar en wanneer ze gevonden werden en dit maakt een systematische evaluatie van de materialen zeer moeilijk. Het meest interessante object is heel zeker de stenen doodskist van zeer hoge kwaliteit.

Ledereen kan zich gemakkelijk de dichte relatie van haar versierigen met de schilderijen in de bovenverdieping van de „Poort“ en buiten in de fassade realiseren. We weten dat de doodskist in de begraffeniskapel gevonden werd en het lijkt zeer aanneemelijk dat Ludwig de Duitse erin begraven is in 876. In de veronderstelling dat de doodskist rond die tijd gemaakt is, is de conclusie heel gemakkelijk te maken dat er een dichte chronologische connectie bestaat tussen de begraffeniskapel, de poort en deze doodskist. Met de begraffenis van Ludwig de Duitse kwam Lorsch een begraffenisplaats van de latere karolingers. Dit feit onderlijnt de belangrijkheid van Lorsch op het einde van de 9de eeuw, vooral na de verdeling van het rijk tussen 843 en 870. Als resultaat van deze verdeling, begon het oosten van het karolingische rijk aan de rijn haar eigen politieke weg. Dit is het begin van zowel de duitse als de franse geschiedenis. Apart van de doodskist van Ludwig de Duitse hebben we nog een andere doodskist, niet vergelijkbaar in kwaliteit met de eerste, maar toch zeer uniek in zijn stijl. Met de vorm als een trapezium behoort het tot een type van vroegmiddeleeuwse doodskisten in deze regio.

 
 


De decoraties binnenin zijn ongeveer dezelfde - Christendom - het kruis en de de symbolen van het fontein van het leven. Volgens de legende is dit de doodskist van Siegfried, Kriemhild´s man, die verondersteld is begraven te zijn in Lorsch na zijn moord, die de catastrofe van de Nibelungen met zich teweeg bracht. Dikwijls hebben legenden sommige elementen van waarheid. Hier kan het de onzekere gedachte zijn dat hier een koning begraven is, gecombineerd met de Nibelungenlegende die lichtjes verbonden is met deze regio naast Worms.

Outline of Lorsch Abbey (c. 1150)




to the top